De eerste familie dezer onderorde is die der
DERMESTIDAE. Hiertoe behoort de soort, waarvan
ik in Het Rijke Leven het een en ander heb medegedeeld: „De bonttorretjes komen in de meeste
huizen, hoewel slechts in gering aantal voor. Zij
zijn nagenoeg zwart, doch op ieder dekschild is een
wit vlekje. In het voorjaar ziet men er nu en dan
wel een in de kamer; het diertje zoekt dan een geschikte plaats om eitjes to leggen. De larf leeft
namelijk in voorwerpen, die van huiden en van wol
gemaakt zijn, zooals handmoffen, pelzen en wollen
kleedingstukken. Zij vreet daar gaten in, maar het
gat, waarin zij verscholen zit, is niet gemakkelijk
te vinden. Gij zoudt naar een open plek tusschen
de haren van het kleedingstuk zoeken. Maar dat zou u niet baten. Want waar het diertje zit, is
geen open plek. Het steekt de haren van zijn achterlijf uit het gat, waarin het verscholen zit. De
achterlijfsharen komen nu in de plaats van de
haren, die door de vreterij zijn uitgevallen. Er is
dus niets te zien, hoewel - neen, omdat - het
diertje een deel van zijn lichaam laat kijken. Een
aardige manier van schuilevinkje spelen! - In
magazijnen van pelswerk en museums van opgezette
dieren kunnen deze diertjes, hoewel klein, heel wat
kwaad doen."
Tot deze familie behoort ook de spekkever. Dermestes lardarius, die dezelfde levenswijze leidt en
daardoor even schadelijk kan worden. In hoofdvorm
is hij aan den voorgaanden gelijk, maar hij is twee
maal zoo lang en in plaats van twee stipjes vertoonen de dekschilden een breeden donkergrijs-gelen
dwarsband, waarin op ieder schild 3 stippen
staan.
Tot deze familie behoort ook de spekkever. Dermestes lardarius, die dezelfde levenswijze leidt en
daardoor even schadelijk kan worden. In hoofdvorm
is hij aan den voorgaanden gelijk, maar hij is twee
maal zoo lang en in plaats van twee stipjes vertoonen de dekschilden een breeden donkergrijs-gelen
dwarsband, waarin op ieder schild 3 stippen
staan.