Broeder Arnoud vraagt vervolgens de aandacht voor het Museumkevertje. Deze kever behoort tot de Dermestiden, waarvan een 700 soorten bekend zijn; de larven van 'n goede 50 soorten zijn berucht als zeer schadelijk voor bont, huiden, karpetten, gedroogd vlees, melkpoeder, veren - kortom voor alle materiaal van dierlijke afkomst. De larven van andere soortgenoten versmaden ook plantaardige kost niet en kunnen daardoor in graanopslagplaatsen verwoestingen aanbrengen. De schade, die
deze diertjes berokkenen, loopt jaarlijks in de miljoenen. Ook in musea en particuliere insecten-verzamelingen kunnen zij ruïneus werken. Droge korreltjes onder een kever of een opgeprikte vlinder verraden, dat er een larve in actie is. Het kevertje, dus het volwassen insect, heeft een gedrongen, elliptische gewelfde vorm. Het
chitine pantser is sterk. Boven is het donkerbruin met lichtere symmetrische plekken, onder grijs. De kop kan onder het lichaam worden teruggeslagen. De knotsvormige sprieten komen dan in groeven te liggen. Ook de poten worden plat tegen het lichaam aangedrukt bij doodstellen, wat het diertje bij aanraking direct doet. Als kever heeft het maar een kort leven en vliegt op bloemen voor de nectar. Het larvestadium duurt heel wat langer. In deze tijd is het een rupsachtig grauw-geel sterk en lang behaard, ietwat plomp diertje, dat doet denken aan larven van Lieveheersbeestjes. De kop is rond en voorzien van stevige kaken, die zelfs de hardheid van
lood en tin aan kunnen. Met haar korte poten, die in een scherp klauwtje eindigen, kruipt en krauwelt ze niet meer dan nodig is om de voor haar geschikte plaatsen te vinden en haar werk grondig te verrichten. Deze poten kan zij evenals het kevertje zo tegen het lichaam aandrukken, dat ze zich door kleine openingen weet
te dringen en zo op schijnbaar ontoegankelijke plaatsen nog voedsel kan bemachtigen. Bijzondere aandacht verdienen hier bij dit diertje de haren. Ze zijn betrekkelijk lang en tonen bij flinke vergroting zeer eigen structuren. Er zijn er als de lange aarvormige bloeitoppen van sommige grassen, anderen lijken lange speren met grote speerpunten en lange schaften met regelmatige sculptuur. Weer anderen lijken op de zaden van distels. De verschillende vormen moeten wel op verschillende diensten wijzen. Tot nu toe is de juiste betekenis ervan niet bekend. Het zou kunnen, dat zij apparaatjes zijn voor zintuigelijke waarnemingen, waardoor de larve in staat is voedsel te bereiken en te bemachtigen op ontoegankelijk lijkende nietsbelovende plaatsen.
De haren kunnen ook beschermend werken. Elke soort is namelijk in staat ongehinderd te leven in nesten van bijen, wespen en mieren.
Ook leven ze in en bij spinnewebben en spinnenesten. Hier consumeren ze vrij en ongehinderd de overblijfselen van de buit. Ze zijn dus blijkbaar immer in de aanval van genoemde dieren. Tevens beschermen de haren de dieren tegen letsels, wanneer zij zich met moeite in harde lagen werken om er zich in te verpoppen. Nog op een andere wijze zijn de larven schadelijk. Zij kunnen geïnfecteerd zijn met miltvuurkiemen van de huiden afkomstig of als overdrager dienen van nematode wormen, die weer andere ziekten veroorzaken.
Onder de Dermestiden larven zijn er die vorige eeuwen de ondergang van houten schepen veroorzaakten. Een geval verhaalt Richard Hakluyt in "The last voyage of Thomas Candish" in 1591. Na ongelofelijke avonturen langs de Noord-Oostkust van Zuid-Amerika kwam hun schip zonder proviand in de straat van Magelaans aan. Een rijke buit van pinguins konden ze daar bemachtigen en inzouten. Dit stelde hen in staat hun "strooptochten" weer te hervatten. Na enige tijd gingen de pinguins bederven. Ze krioelden van walgelijke vieze wormen van een duim lengte, zodat opnieuw hongersnood dreigde. Ter verpopping knaagden deze gangen in het spantwerk en overig houtwerk van het schip. Dit ging zo massaal, dat zij het schip ten gronde richtten. De "worm" was een der grootste soorten der Dermestidae, die bij voorkeur verpoppen in met olie gedrenkt hout. De eigenschappen, dat Dermestiden zo grondig organische stoffen weten op te ruimen, benut men sinds kort bij het reinigen van skeletten voor wetenschappelijke doeleinden. Samenwerking tussen het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden en het Vezelinstituut T.N.O. te
Delft had tot resultaat, dat men voor deze werkzaamheden de keuze op de soort Dermestes vulpinus bepaalde. De larfjes spelen het klaar om in enkele dagen een teer skeletje geheel schoon te vreten, waarbij de teerste botjes intact blijven.
Materiaal, dat 50 jaar in alcohol geconserveerd is en oude verdroogde karkassen, worden na opweken, wel minder snel, maar toch even grondig schoongemaakt als verse specimina. De preparateur spoelt hierna het skelet af, bleekt het zo nodig en het is klaar voor de montage. Een preparateur kan met enkele kolonies van
Dermestes 15 à 20 skeletjes per week laten reinigen, wat hem dan nog slechts een paar uur werk kost.