Daarna doet Br. Arnoud de volgende mededeling. De aanleiding hiertoe en de reden waarom ik het volgende materiaal meegebracht heb: een gave larf van een Anthrenus soort, een larf die doorboord is en een exuvium van de doorboorde, was een telefoontje van een buurman, die verontrust was, doordat hij in zijn huis een
larf van de tapijtkever meende gevangen te hebben. Na vergelijking met eigen materiaal kon ik aannemen dat het zeker een Dermestidae soort betrof en waarschijnlijk een van de Anthrenini, waartoe het tapijtkevertje A. museorum, behoort. Dit geval op zich zelf hoeft geen paniek te verwekken en kennisname van een mededeling hierover van mezelf, Nat . hist. maandbl. 1952, p. 29 en van het art. van C. Willemse, Idem, 1959, p . 141, zal dit zeker voorkomen. Het telefoontje heeft verder nog een
merkwaardige waarneming tot gevolg gehad. Ongeveer 2 maanden geleden vond ik bij het nazien van een doos met insekten als vernieler een Anthrenuslarf. Om ze niet te laten ontsnappen trachtte ik ze haastig te doden door ze aan een speld te prikken, waaraan reeds een kaartje zat met een ander insekt en vergat ze. Nu ik in verband met bovenstaande, ter demonstratie, naar larventypen zocht, kwam ook de opgeprikte larf voor de dag. Aanstonds viel me op dat het een verward geheel geworden was en daarom juist ging ik dit opzettelijk goed bekijken. Tot mijn verbazing zag ik dat het bestond, niet alleen uit het larfje zelf, maar ook nog uit een ineengeschrompeld huidje: een vervelling. De tweede verrassing was dat het geval eenmaal los van de speld, doodgemoedereerd begon weg te kruipen, alsof er niets gebeurd was. Alleen het achterlijf van de larf, dat volgepropt was met een vuilgele vetsubstantie, daar opgezameld voor de verdere metamorphose, bleek met de speld doorboord te zijn. De wond was helemaal niet dodelijk geweest en al die tijd had het dier geen voedsel kunnen opnemen, wel was het in leven gebleven door te teren op de vetvoorraad en zelfs waren de condities nog voldoende gunstig geweest om een vervelling mogelijk te maken. Wel een bewijs dat deze larfjes een taai leven hebben. Als vijanden van insectenverzamelingen, die dus ook schadelijk kunnen zijn voor stoffen, noemt Reiter A. verbasci, een soort die voor 90 % voor de schade
verantwoordelijk is, A. scrophulariae, een mooi bont gekleurd kevertje voor 6% en A. museorum voor slechts 4% . Deze laatste die men gewoonlijk bedoelt als men het over tapijtkevers heeft, is dus de minst schadelijke soort.